Uit de serie:
De weekspreuken: een openbaring van licht en kracht
Een muzikale reis door de zielenkalender – Ivar Römer
Weekspreuk 7 - Maan
Sinds Pasen, het begin van de reis, ontmoeten we nu de tweede maanspreuk. Het tweede omkeermoment in de grote ademende vleugelslag van Saturnus naar Maan en weer terug.
Opnieuw komen we in een mix van majeur- en mineurstemming die ook de andere maanspreuken kenmerken. We beginnen majeur en dan slaat het om naar mineur. Van buiten naar binnen: de eigen grond, van waaruit je alleen maar weer kunt bouwen.
Maar als je dat doet in afzondering van het wereldzijn, dan zou je jezelf moeten uitdoven, ja zelfs doden! Ook de volgende Maanspreuk - weekspreuk 33(!) en spiegelspreuk van de huidige spreuk - spreekt van de dood. Nu sterft niet de ziel als de wereld niet betrokken wordt, maar sterft de wereld als ze niet doorzield wordt door de mens.
De toonsoort is nu a-klein, je zou ook kunnen zeggen de maanvariant van toonladder C-groot.
De melodie begint dalend waardoor we aankomen bij onszelf en ze klimt weer op als we bouwen op eigen grond. Ja en het ertöten kon ik niet anders verklanken dan door ze te harmoniseren met enkele wrange akkoorden.
Het mooie echter van de vorm waarin de weekspreuken zijn gegoten, is dat de melodieën zich steeds herhalen. Het eind sluit steeds weer aan op het begin, waardoor het een soort rondedansen worden. In dit lied is goed hoorbaar hoe bij de herhaling (na de dood) in lichtheid, vlinderachtig, de majeur stemming weer wordt ingezet.
So fühl ich erst mein Sein,
Das fern vom Welten-Dasein
In sich sich selbst erlöschen
Und bauend nur auf eignem Grunde
In sich sich selbst ertöten müsste.
Voor reacties op dit blogbericht, of vragen over de bladmuziek, neem dan contact op met Ivar Römer. ivar@novalisatelier.nl